Een barbier in vroeger tijden
Het ambacht van barbier bestond al vóór de 14de eeuw. In de jaren daarna ontstond een grote behoefte aan medici. Het werkterrein van de barbier breidde zich in die tijd uit naar de medische kant. Uiteindelijk werd de barbier ook chirurgijn. Naast het scheren, knippen en verzorgen van baarden, trok hij ook kiezen en deed aderlatingen. Dat gebeurde allemaal in zijn barbierspraktijk. Als verdoving gebruikte hij laudanum en alcohol.
Sterkere huid
Een barbier scheert de baard van een klant met een lang scheermes, dat hij scherpt op leren banden. Voorafgaand zeept hij de klant in met de kwast of zijn duim. Met die kwast masseert hij tegelijk de hoornlaag. Tenslotte trakteert hij de klant op een weldadige gezichtsmassage met warme doeken. Scheren met het mes heeft als voordeel dat het de huid sterker maakt, doordat elke keer een nieuwe hoornlaag wordt gevormd. Na de behandeling voelt de cliënt zich als herboren. Zijn huid voelt zachter aan en is frisser dan ooit.
De chirurgijn
Het werk van de toenmalige barbier / chirurgijn bestond, naast het knippen en scheren van baarden en snorren, uit aderlatingen, het trekken van gebitselementen, wondverzorging en de behandeling van botbreuken.
Aderlaten
Een behandeling van de chirurgijn bleef de patiënten vaak lang heugen.Vooral het aderlaten in die tijd heeft een onuitwisbaar spoor achtergelaten. Dat is terug te vinden in de kapperspaal die bij veel kapsalons nog steeds aan de gevel prijkt. Deze paal stelt de bandages voor die na een aderlating tijdens het drogen in elkaar verstrengeld raakten.
Specialiseren
Naarmate de tijd verstreek, werd het werk van de chirurgijn specialistischer. Vanaf de 17de eeuw bestond er een opleiding tot chirurgijn. De anatomielessen werden gegeven in een anatomisch theater waarbij terechtgestelde misdadigers de eer te beurt viel om te worden ontleed. Een beëdigd chirurgijn had in die tijd zelfs een verbandzaal met eigen assistenten in het hospitaal.
Scheepvaart
Een barbier / chirurgijn werkte niet enkel op het vasteland, maar ook in de scheepvaart. Daar stond hij in hoog aanzien en had altijd de graad van officier. Het was zijn taak om zieke of gewonde passagiers en bemanningsleden te verzorgen en eventueel te opereren. Het ging er wel wat steviger aan toe dan aan de wal. Zo moest hij bijvoorbeeld bemanningsleden medisch verzorgen nadat zij een lijfstraf hadden ondergaan. Ook bij een geval van koudvuur riep de kapitein de hulp in van de chirurgijn, die dan de getroffen ledematen moest amputeren. De bloedvaten dichtte hij vervolgens met een gloeiend ijzer.





